Doorstroming en oriëntering: werken aan drie begrippen
In de omschrijving van “Doorstroming en Oriëntering” staan drie begrippen centraal: ‘zelfconceptverheldering’, ‘keuzecompetentie’ en ‘horizonverruiming’. Hoe werken jullie daar in de Sint-Salvatorschool aan?
1. Zelfconceptverheldering: Wie ben ik? Wat kan ik goed? Wat kan ik minder?
We hebben in de klas aandacht voor het leren kennen van eigen talenten en competenties. In het zesde leerjaar werkt de leerkracht met een bordschema waarop hij in het begin van het schooljaar zelf schrijft wat de kinderen al kunnen en wat nog moeilijk is.
Naderhand gaan kinderen dit steeds meer zelf aanvullen of wijzigen. Ze leren ook elkaars competenties kennen. Ze weten wie het ergens moeilijker mee heeft. Omdat ook in de klas geldt dat iedereen vooral op zijn maat een antwoord moet krijgen, vormt dit geen probleem.
In de eerste oudergroep vertrekken we ook van het beeld dat oduers van hun kind hebben: hoe zie ik mijn kind? Hoe beleef ik mijn kind? Ouders en kinderen vullen hierover een korte vragenlijst in. Dit bepaalt immers mee de keuze die we straks samen gaan maken. Daarom is hier veel communicatie rond nodig.
Het is iedere keer weer opmerkelijk wanneer ouders en leerlingen vaststellen dat ze toch elk een ander beeld hebben. Ouders die opmerken dat hun kind iets graag doet wat ze nog helemaal niet wisten… Of kinderen die vinden dat ze iets goed kunnen maar waar de ouders toch nog aan twijfelen, of andersom. Dit levert heel wat boeiende gesprekken op!
2. Keuzecompetentie: leren kiezen
Bewust leren kiezen is een accent dat zowel in het programma van het zesde, als in de voorgaande jaren veel aandacht krijgt. Het start al in de kleuterklas tijdens hoekenwerk: kleuters kiezen voor een hoek, maar merken dat ze eigenlijk iets anders willen… We letten ook op kleuters die altijd hetzelfde kiezen. Zij worden uitgenodigd om ook eens iets anders te proberen.
In het lager onderwijs zijn er ook heel wat momenten waarop kinderen mogen kiezen. Tijdens muzische vakken bijvoorbeeld wordt er niet een en hetzelfde werkje afgewerkt. Of tijdens wiskunde is er eerst een klassikaal deel waarna kinderen dan zelf mogen kiezen of ze verdiepingsoefeningen maken of herhaling nodig hebben. Ook bij het huiswerk geeft de leerkracht niet aan welke opdrachten ze moeten maken, maar enkel hoeveel oefeningen.
In de B-stroom krijgen de kinderen een overzicht over welke onderdelen ze nog moet verwerken en mogen ze kiezen wat ze liefst eerst willen doen. Dat proberen we dan ook te bereiken. Zo stimuleren we hen om het eigen leertraject in handen te nemen.
Leren kiezen maakt ook onderdeel uit van het ruimere programma over ‘leren leren’. In de klas 5 en 6 wordt er ruimschoots de tijd genomen om kinderen bewust te leren plannen, stappenplannen en schema’s maken… Met het ‘Tutor Babbel’ kunnen kinderen in kleine groepjes op zoek gaan en verder ontwikkelen van een eigen leermethode. Hoe leer ik? Er wordt niet gezegd: zo moet je het doen, maar er wordt gestimuleerd om te zoeken naar oplossingen, andere mogelijkheden… door open vragen te stellen.
Daarom is het ook belangrijk dat de studenten de eerste keer aan huis gaan. Niet iedereen heeft een eigen bureau. Hierbij kunnen we natuurlijk de vraag stellen: is dit nodig om efficiënt te werken? Er moet gezocht worden naar hoe elk kind het best zijn/haar huiswerk kan maken.
3. Horizon verruimen: breed op verkenning naar soorten beroepen en studiemogelijkheden.
Door leerlingen te laten kennismaken met verschillende beroepen verruimt hun blik en maken ze ook kennis met de juiste invulling van de beroepen. Via computer verkennen ze een lijst van beroepen, we nodigen mensen uit die vertellen over hun beroep en we gaan naar het ‘Beroepenhuis’. Dit laatste is een werkatelier op initiatief van de stad Gent.
Gedurende een halve dag maken de kinderen actief kennis met verschillende beroepen. Zo leren ze bijvoorbeeld de transportsector beter kennen door samen een vrachtwagen klaar te zetten, of maken ze zelf tandpasta in een labo.
Uiteindelijk worden de kinderen uitgenodigd om een tentoonstelling te maken over hun ‘droomberoep’. Heel wat leerlingen hebben dan al duidelijk een keuze gemaakt en kunnen hun keuze al heel goed beargumenteren. Elke leerling vertelt trots over zijn/haar ‘droomberoep’.
Een andere manier om om leerlingen bewust te maken van de mogelijkheden, is het uitnodigen van oud-leerlingen uit verschillende omliggende scholen. Deze keer is het een zeer persoonlijk gesprek tussen leerlingen en oud-leerlingen en dus zonder ouders. De leerkracht bereidt in de klas de vragen voor. Dit zijn zowel heel algemene als heel praktische vragen. In de antwoorden kunnen zowel positieve als negatieve elementen aan bod komen.
Deze uitwisseling roept de gevoelens op van de eerste schooldag: mag je een GSM meenemen? Kan je ’s middags makkelijk buiten school? Hoe streng zijn ze? Zijn de toetsen moeilijk? Als leerkracht krijg je op deze manier ook een beeld van de scholen en eventuele struikelblokken bij overgang.