Leren uit GOK: vragen uit het publiek

1. De bevindingen over de invloed van SES en de lagere prestaties van Turkse leerlingen zijn gelijklopend met andere onderzoeken. Hebben jullie daar verdere hypothesen rond?

Antwoord 1:
Van de leerlingen in het algemeen en de Turkse leerlingen in het bijzonder hebben we nu voor de tussentijdse resultaten de typische achtergrondkenmerken zoals SES verwerkt. Maar van alle leerlingen hebben we ook andere informatie. Je kunt veronderstellen dat andere aspecten meespelen, zoals wie is die leerling, wat is zijn/haar motivatie,… Dit kan bijdragen tot een genuanceerder beeld dan nu werd gepresenteerd. Misschien blijft de stelling over de Turkse kinderen dan niet overeind. Maar deze gegevens moeten we nog verwerken.

Antwoord 2:
De vraag ‘Wat is er met de Turkse kinderen?' is een illustratie van waar we nog naartoe willen met de verdere verwerking. Deze vraag die veel leerkrachten stellen, hertaalt zich vaak in kijken naar kenmerken van een Turkse gemeenschap: cultuur, taal,… Maar of dat daar effectief iets mee te maken heeft, ligt nog niet vast. Er zitten nog veel elementen in de vragenlijsten die nog niet verwerkt zijn. Voorlopig kunnen we daar dus niet op antwoorden.

Misschien heeft het niets te maken met de kenmerken op zich, maar met de manier waarop het onderwijs erop inspeelt. We spreken ook over verschillende contexten: in sommige scholen is de Turkse nationaliteit dominant, in andere scholen is dat één van de vele nationaliteiten. Een andere vraag is in hoeverre bijvoorbeeld de inschatting van de leerkrachten een rol speelt. Turkse leerlingen presteren misschien anders, net omdát leerkrachten hen anders inschatten. Dit alles moeten we nader bekijken tijdens de verdere exploratie van thuiskenmerken en klaskenmerken. 

2. Uit de tussentijdse resultaten blijkt dat hoge verwachtingen leiden tot meer effecten. Zijn er ook leerlingen die erop achteruit gaan? Welke leerlingen hebben er het meest en/of het minst baat bij en waarbij?

Antwoord:

In het onderzoek naar kennisconstructie en schooltaalverwerving zijn er op het totaal aantal betrokken leerlingen, 2 die achteruitgaan. Er zijn maximum 2 leerlingen in het onderzoek die ter plaatse blijven. We kunnen nu nog niet zeggen waar dat mee te maken heeft. Op het eerste zicht: niet met de achtergrond van de leerlingen. Misschien vinden we antwoorden in de betrokkenheidsscores van de leerlingen. Wordt vervolgd. 

3. Hoe zal dit onderzoek resulteren in praktische ondersteuning van het onderwijs? Ik mis hierbij handvaten om bijvoorbeeld een goed GOK-plan mee te schrijven?

Antwoord 1:
Nadeel is dat het hier gaat om tussentijdse resultaten. Er liggen nog te veel vragen open om al duidelijke handvatten te kunnen ontwikkelen op basis van de resultaten.

Op enkele vragen hebben we antwoorden. Als we ons bijvoorbeeld afvragen: ‘wordt er geleerd?’. Dan is het antwoord: ‘ja’. ‘Spelen achtergrondkenmerken een rol?’: ‘ja’. ‘Speelt de leerkracht in de klas een rol?’: ‘ja’. Maar we moeten dit meer gedetailleerd bekijken, want het is een complex verhaal.

We zien nu al dat zich in de klassen verschillende praktijken ontwikkelen. De ene praktijk doet meer voor de kinderen dan de andere. Voor bepaalde kinderen, andere kinderen worden een beetje aan hun lot overgelaten. Aan het einde van de verwerking moeten deze resultaten leiden tot bruikbare handvaten, ook met betrekking tot plannen.

Daar wil ik nog aan toevoegen dat een goed plan belangrijk is, maar dat het ook moet doordringen tot in de dagelijkse praktijk. Net datgene wat gebeurt binnen de dagelijkse interactie is van fundamenteel belang voor leren.

Antwoord 2:
De onderzoeken zijn zeer diepgaand. Neem bijvoorbeeld de spinnenwebben met de mate van interactie tussen leerlingen tijdens groepswerk. Dat geeft leerkrachten een zeer concreet beeld van wat er gebeurt en kan gebeuren. Graag verwijs ik ook naar de website van Steunpunt GOK voor praktijkgerichte handvaten.

Antwoord 3:
In het buitenland benijdt men ons, Steunpunt GOK, vaak omdat onderzoek, vorming en materiaalontwikkeling samen in één en hetzelfde steunpunt verenigd zijn. Dit alles wordt dan ook meegenomen door alle vormingswerkers.

Een anekdote: alle onderzoekers hebben gisteren hun presentatie ‘geoefend’ voor collega’s. Na de presentatie was er spontaan een vormingswerker die vroeg of hij de slides van het onderzoek al meteen kon meenemen in zijn coachingopdracht. Op deze manier raken resultaten dus snel bekend in het veld.

Antwoord 4:
Soms zien we ook interessante resultaten, die geen deel uitmaken van de kern van het onderzoek. Op basis van de VLOT-resultaten merkten we de vroegtijdige streaming in het derde en vierde leerjaar. De resultaten van VLOT schieten voor vijfde en zesde leerjaar omhoog, omdat een aantal leerlingen tegen dan uit de school zijn verdwenen en doorverwezen naar BLO, 1B SO,…

Ook het aantal leerlingen dat niet op zijn/haar leeftijd zit, is er heel hoog. Dit zegt iets over het beleid van deze scholen met betrekking tot oriëntering en doorstroming. In deze scholen en in scholen in gelijkaardige situatie moet op beleidsniveau misschien ook grondig bekeken worden hoe men met bepaalde leerlingen omgaat. 

4. Wat zegt het onderzoek over thuistaal? Werden er in het onderzoek ook Brusselse scholen opgenomen? In hoeverre is de regio waar de scholen liggen van belang?

Antwoord 1:

Tijdens het onderzoek stootten we continu op meertaligheid en hoe daarmee wordt omgegaan in klassen en op school. Wel niet in de zin van er bewust mee omgaan. Maar in de praktijk merken we dat er op verschillende manieren ruimte is voor de thuistaal van de kinderen, tijdens groepswerk, op de gang, en/of de speelplaats,… Er zijn heel wat verschillen in de omgang ermee, maar al bij al nog maar weinig bewuste praktijken van positief omgaan met thuis in de klas en het echt een plaats geven binnen het leren.

Of de regio van belang is: daar kunnen we niet zoveel over zeggen. De scholen uit het onderzoek liggen in Limburg en Antwerpen. Dit heeft enig voor- en nadeel: de regio valt veelal samen met andere verschillen tussen de scholen. De populatie in de Antwerpse scholen is heterogeen. De Turks-homogene scholen liggen in Limburg. Dit is niet uit elkaar te halen. Het verschil tussen Antwerpen en Brussel is dat in Antwerpen Nederlands de omgevingstaal is. Maar verder is de klassamenstelling in Brussel veelal gelijk aan die van Antwerpen: gemengd wat betreft nationaliteit.

Vaak gaan we ook ongenuanceerd om met ‘Nederlandstalig’. Eigenlijk bedoelen we daarmee: alleen maar Nederlands spreken. Even vaak kijken we ook ongenuanceerd naar de thuistaal van de kinderen in de scholen. Terwijl uit het onderzoek blijkt dat al deze kinderen buiten de school met minstens 1 partner Nederlands spreken. Het kind dat geen Nederlands in de thuissituatie gebruikt, bestaat hoe langer hoe minder. Meestal worden er meerdere talen gesproken thuis. De realiteit is dus veel complexer, genuanceerder dan ‘is het kind Nederlandstalig of niet?’.

Ook kinderen die van huis uit Nederlandstalig zijn, hanteren verschillende varianten van Nederlands, die niet steeds overeenkomen met de schooltaal. Uit het onderzoek blijkt het impact van hoe leerkrachten er naartoe kijken. Het is dan ook belangrijk om met een open blik te kijken naar meertaligheid en het gebeuk van andere talen thuis.

Antwoord 2:
Ter informatie: ‘omgaan met thuistaal’ is een specifieke focus van een ander onderzoek door twee units van Steunpunt GOK.

2008 Steunpunt GOK - auteursrecht & disclaimer - contact