start > over steunpunt gok > geschiedenis

Geschiedenis van het Steunpunt GOK

Hieronder vindt u een korte schets van het ontstaan en de geschiedenis van het Steunpunt GOK. Bekijk ook het schematisch overzicht.

Om het ontstaan van het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen te schetsen, gaan we even terug naar de jaren tachtig.

In 1989 werd het rapport D’hondt (Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid) voorgesteld. Dit rapport stelde dat Vlaanderen multicultureel was, en dat samenlevingsproblemen en de integratie van migranten op termijn konden worden opgelost door de kansarmoede bij zowel allochtonen als autochtonen systematisch en coherent aan te pakken. Het rapport kreeg heel wat bijval in het sociale middenveld. Het besteedde ook aandacht aan de positie van allochtonen in het Vlaamse onderwijs.

In deze analyse stonden de begrippen ‘achterstand’, ‘achterstelling’ en ‘culturele eigenheid’ centraal. Er werden een reeks maatregelen voorgesteld om scholen te ondersteunen om zich inhoudelijk, structureel en organisatorisch te versterken. In tegenstelling tot de grote vernieuwingen van de jaren tachtig (o.a. Vernieuwd Lager Onderwijs), pleitte het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid voor maatregelen voor een duidelijk omschreven doelgroep die ook andere leerlingen ten gunste kwamen.

In 1989 werd een Commissie Onderwijs Migranten opgezet. Deze commissie legde in december 1990 een eindrapport neer, op basis waarvan de Minister van onderwijs een beleidsplan uitwerkte.

In 1991 ontstond zo het Onderwijsvoorrangsbeleid Migranten (OVB), met als doel de integratie én het onderwijssucces van allochtone leerlingen te verhogen (Departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, 1991).

In 1994 evolueerde het OVB tot een doelgroepenbeleid. Het richtte zich op kansarme allochtonen. De financiering werd gebaseerd op de proportionele aanwezigheid van bepaalde leerlingen in scholen.

Vervolgens ontstond het project “Zorgverbreding” (ZVB), als aanvulling op het OVB. Het had als doel de onderwijskansen van leerbedreigde autochtone leerlingen in het lager onderwijs te verhogen. Het project richtte zich op scholen die bereid waren een extra inspanning te leveren. Het project werd geheroriënteerd naar een preventieve werking rond leerbedreigde kansarme leerlingen. (Verlot, 2001)

Vanaf 1995 werden het OVB en ZVB meer en meer op elkaar afgestemd, tot ze in 2001 geïntegreerd werden in het ‘Gelijke Onderwijskansenbeleid’ (GOK).

Het decreet van Gelijke Onderwijskansen (GOK) zag het levenslicht in september 2002 (Decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen I, 28 juni 2002, B.S. 14-09-2002). Met dit beleid wil men alle kinderen dezelfde optimale mogelijkheden bieden om te leren en zich te ontwikkelen. Tegelijkertijd wil het decreet uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie tegengaan en heeft daarom speciale aandacht voor kinderen uit kansarme milieus.

Het beleid Gelijke onderwijskansen bestaat uit verschillende onderdelen:

  • het inschrijvingsrecht;
  • institutionele bepalingen met betrekking tot Lokale Onderwijsplatforms;
  • de Commissie inzake Leerlingenrechten);
  • en het geïntegreerd ondersteuningsaanbod.

Binnen dit laatste luik worden de gelijkekansenindicatoren bepaald. Deze indicatoren worden als volgt beschreven in het GOK-decreet (artikel VI.2):

  • het gezin leeft van een vervangingsinkomen;
  • de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; 
  • de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
  • de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
  • de taal die gebruikt wordt voor de gangbare communicatie in het gezin is niet het Nederlands.

Op basis van deze gegevens, konden scholen voor een periode van drie schooljaren aanvullende lestijden of extra uren-leraar krijgen, voorzover ze aan bepaalde voorwaarden voldeden. Deze gelijkekansenindicatoren geven al aan dat het beleid zich richt op gelijke kansen van verschillende groepen en niet alleen ‘allochtonen’.

In artikel VI.5 werd omschreven hoe een school zijn GOK-beleid moet uitstippelen.

  • Scholen die extra middelen krijgen, moeten in het eerste trimester van het eerste jaar van de GOK-cyclus een gelijkekansenbeleid uitwerken. Dit vanuit een beginsituatieanalyse van de school. Op basis van die analyse formuleren scholen doelstellingen op vlak van leerlingen, personeelsleden én schoolniveau.

    Er werden 6 thema's bepaald waarbinnen doelstellingen gekozen konden worden:
    a) preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden,
    b) taalvaardigheidsonderwijs,
    c) intercultureel onderwijs,
    d) doorstroming en oriëntering,
    e) socio-emotionele ontwikkeling en
    f) leerlingen- en ouderparticipatie.

    Op basis van de doelstellingen, geven scholen in hun GOK-plan aan hoe ze deze doelstellingen willen bereiken en zullen evalueren.
     
  • In het tweede jaar van de GOK-cyclus, het jaar van de zelfevaluatie, evalueren scholen hun eigen acties en sturen ze die waar nodig bij.
     
  • In het derde jaar van de GOK-cyclus volgt er een externe evaluatie. Enerzijds voert het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de hand van steekproeven evaluaties uit, anderzijds gaat ook de onderwijsinspectie na of en in welke mate de doelstellingen bereikt werden (artikel VI.8). Deze evaluatie (indien positief) staat scholen dan toe om voor een nieuwe periode van drie schooljaren aanvullende lestijden of extra uren-leraar te krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden voldaan is.

In 2005 werd het decreet gewijzigd (Decreet houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I (1), 15 juli 2005, B.S. 30-08-2005) en werd op drie vlakken aangepast:

  • er werden nieuwe regels voor inschrijving toegevoegd;
  • een voorrangsregeling kwam in de plaats van het doorverwijzingsrecht;
  • er werden nieuwe bepalingen opgesteld voor het weigeren van leerlingen.

    De voorrangsregeling is een van de belangrijkste aanpassingen. Scholen kunnen aan bepaalde groepen leerlingen, of ze aan de GOK-indicatoren beantwoorden of niet, voorrang geven. Voorheen was er alleen sprake van een doorverwijzingsrecht, waartegen de diversiteitssector zich altijd verzet heeft omdat de maatregel eigenlijk discriminerend was. Thuistaal was daarin een belangrijk argument, terwijl de socio-economische situatie van het gezin veel belangrijker is (Van Neste, 2005).

In 2006 en 2008 werden de gelijkekansenindicatoren nog bijgestuurd en een verschillend gewicht werd toegekend aan de verschillende indicatoren. Voornamelijk de indicator thuistaal werd bijgevijld tot “de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met vader, moeder, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd”.

Een andere maatregel, GOK+ richtte zich op kleuters (dit in het kader van het jaar van de kleuter in 2007-2008): via de lestijden GOK+ wordt er extra aandacht besteed aan onderwijskansarme kleuters. Dit betekent dat scholen met ten minste 40% kleuters die voldoen aan één of meer gelijke kansenindicatoren aanvullende GOK-lestijden krijgen om deze kleuters beter te kunnen ondersteunen en opvolgen.

In het buitengewoon onderwijs (basisonderwijs & secundair onderwijs) werden vanaf 1 september 2009 ook GOK-uren toegekend (Decreet betreffende het onderwijs XIX, 30-04-2009). De regeling komt in de plaats van het vroegere Onderwijsvoorrangsbeleid (OVB). De opzet verschilt evenwel van het gewone onderwijs: de toekenning geldt slechts voor twee schooljaren (om vanaf 2011 gelijk te lopen met de andere scholen) en enkel scholen van type 1 en 3 krijgen een ondersteuningsaanbod. Scholen die GOK-middelen krijgen, moeten een gelijkekansenbeleid uitwerken vertrekkende van een beginsituatie-analyse. De doelstellingen kunnen worden geformuleerd binnen 3 thema’s:

  • een gericht aanbod rond functionele taalvaardigheid
  • het aanbieden van onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aan ouders
  • het opnemen van de (laagdrempelige) sociale functie in een netwerk met partners uit andere sectoren.

Deze thema’s zijn dus erg verschillend van de thema’s voor het gewone onderwijs. Ook modaliteiten voor zelfevaluatie en evaluatie door inspectie werden opgenomen in het decreet.

Door de jaren heen kunnen we vaststellen dat het GOK-decreet telkens werd bijgestuurd en verfijnd. Sinds de nieuwe financiering, krijgen ook meer en meer scholen GOK-middelen waardoor GOK een zorg is geworden van alle scholen, directies, leerkrachten en begeleiders.

Sinds 2008 is de GOK-begeleiding ook opgegaan in de gewone begeleiding van scholen. Specifieke GOK-begeleiders zijn er dus niet meer.

Het platform op de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) werd echter stopgezet. De begeleiders bundelden hun ervaringen om de expertise door te geven aan andere begeleiders (VLOR, 2008).

Het is duidelijk dat het beleid erachter staat om scholen met doelgroepleerlingen extra te ondersteunen. Anderzijds valt op dat de ondersteuningsstructuur minder aandacht krijgt over de loop van de jaren.

In 2009 wordt deze laatste lijn nog verder doorgetrokken. Het Steunpunt GOK krijgt het bericht dat het omwille van besparingsmaatregelen op 31/12/2009 ophoudt te bestaan. Scholen moeten vanaf dan ondersteuning zoeken bij de pedagogische begeleiding.

Bibliografie

  • Decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen I, 28 juni 2002, B.S. 14-09-2002.
  • Decreet betreffende het onderwijs XIX, 30-04-2009.
  • Decreet houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I (1), 15 juli 2005, B.S. 30-08-2005.
  • Departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. (1991). Onderwijsbeleid t.a.v. migranten. Brussel.
  • Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid. (1989). Integratie(beleid): een werk van lange adem. Brussel: Inbel, drie delen.
  • Van Neste, G. (2005, augustus). Voorrang geven, niet langer doorverwijzen. Vlaamse regering past decreet Gelijke Onderwijskansen aan. Divers , p. 27-28.
  • Verlot, M. (2001). Werken aan integratie. Leuven: Acco.
  • VLOR. (2008). OOg voor meer gelijke onderwijskansen. Een handleiding voor beginnende begeleiders. Brussel: VLOR.

 

Tekst: Lia Blaton, medewerker Steunpunt GOK.

GOKnieuws

Laatste GOKschrift
GOKschrift 13 is uit. 

2008 Steunpunt GOK - auteursrecht & disclaimer - contact